Een nieuwe rubriek? Min of meer wel. Het betreft een strategie om iedereen die nog wat moeite heeft met alle knopjes van de camera op prettige doch indringende wijze ertoe te brengen de werking van deze knopjes te doorgronden. We zullen voortaan op elke clubavond aandacht besteden aan de cameraknopjes onder het motto: 
‘het knopje van de week’.

In volgorde van belangrijkheid volgt hier een aantal knopjes met hun werking.

Witbalans – Als de kleur van opnamen niet goed is heb je een fout in de opname die later niet zo eenvoudig weg te werken is.

Belichting (iris) – als je opname onder- of overbelicht is kun je daar achteraf ook maar heel weinig aan verbeteren

Focus (scherpte instelling) – als je opname onscherp is kun je daar eigenlijk helemaal niets meer aan doen.

Het is de bedoeling dat je op een clubavond kunt laten zien dat je het betreffende knopje op je camera weet te vinden en ook kunt bedienen. Het resultaat kunnen we dan gezamenlijk op de monitor bekijken.

Als je tijdens de speurtocht naar de belangrijke knopjes minder belangrijke knopjes tegenkomt en ze vertegenwoordigen een nuttige leuke of gekke functie laat dat dan even weten. Misschien ziten dezelfde knopjes ook op iemand anders z’n camera.


Witbalans

Het eerste knopje in de serie is voor het instellen van de witbalans. Voor deze functie kan het zijn dat er met verschillende knopjes moet worden gewerkt.

Waar gaat het om …

De camera detecteert kleur door te bepalen uit welke basiskleuren de kleuren van een beeld zijn samengesteld. Dit werkt het beste als er voor elke basiskleur een beeldsensor aanwezig is. Zo’n systeem is kostbaar dus wordt er meestal gebruik gemaakt van één CCD met een kleurenfilter waarbij het filter bepaalt voor welke kleur bepaalde beeldpunten gevoelig zijn. Er zijn drie hoofdkleuren (licht) waaruit iedere kleur is opgebouwd en waarmee ook weer iedere kleur kan worden weergegeven. Deze hoofdkleuren zijn rood, groen en blauw. Als alle drie basiskleuren maximaal aanwezig zijn vormen ze samen een kleur. Het resultaat is dan in principe de ‘kleur’ wit. Een vlak noemen we wit als dit vlak alle hoofdkleuren reflecteert. Zwart en wit zijn overigens geen kleuren.

De lichtbron heeft dus invloed op de kleur die we wit noemen maar in feite de kleur heeft van de lichtbron. Lichtbronnen hebben en zogenaamde kleurtemperatuur deze temperatuur wordt aangegeven in graden Kelvin (K). Bij lage kleurtemperaturen overheerst de kleur rood en bij hoge kleurtemperaturen de kleur blauw. Vergelijk de kleur van metaal dat bij verhitting eerst rood en uiteindelijk witgloeiend is; hoe hoger de temperatuur hoe meer blauw er in het licht zit (zie tabel).

De ogen (of eigenlijk de hersenen) zijn in staat de kleurinformatie van een bepaald beeld zodanig te corrigeren dat ook onder niet al te extreem verschillende lichtomstandigheden wit altijd hetzelfde wit is. Als de camera onder verschillende lichtomstandigheden een wit voorwerp ‘ziet’ zal blijken dat zonder correctie de kleur van het licht het soort wit bepaalt en tegelijkertijd alle andere kleuren beïnvloedt. We zijn gewend dat wit altijd wit is en dat zullen we de camera ook moeten leren. Vroeger en nu nog steeds in de chemische fotografie was en is het gebruik van filters de manier om de kleur aan te passen. Teveel rood …. dan corrigeren met blauw. Gelukkig is het elektronisch relatief eenvoudig de intensiteit van een kleurcomponent te wijzigen waardoor het mogelijk is een video signaal zodanig aan te passen dat de juiste kleur wit wordt opgenomen of weergegeven.

De instellingen

Meestal is er een aantal keuzemogelijkheden op de camera aanwezig. Voor het instellen van een juiste kleurcorrectie kan een aantal voorkeuzes worden gemaakt zoals daglicht / kunstlicht / TL.

Je kunt kiezen voor automatisch als de lichtomstandigheden niet overeenkomen met de aanwezige voorinstellingen of doorlopend wijzigen. Automaten zijn tegenwoordig zo goed dat de automatische witbalans nooit echt verkeerde kleuren zal opleveren. Als je nauwkeurig de goede witbalans wilt instellen zal dit met de hand moeten. Dit gebeurt vaak met de functie ‘hold’. Het komt erop neer dat er een wit referentievlak beeldvullend moet worden opgenomen en dat aan de camera moet worden ‘verteld’ dat het referentievlak wit is onder de gegeven lichtomstandigheden.

Tabel kleurtemperatuur

Zonsopkomst of ondergang

 

2000 K

Gloeilamp 100 W

 

2800 K

Filmzon halogeen

 

3400 K

Een uur na zonsopkomst

 

3500 K

Zonlicht 13 uur ’s middags

 

5400 K

Onbewolkt overdag

 

6500 K

Onbewolkt zomerdag

>

8000 K

 


Belichting (iris)

Het tweede knopje in deze serie is voor het instellen van het diafragma. De kwaliteit van een opname wordt voornamelijk bepaald door de belichting. AIs de opname onvoldoende is belicht is het resultaat een donker en somber plaatje met grote zwarte partijen waarin geen enkel detail te zien is. Te veel licht geeft omgekeerd de indruk of er een of ander bleekmiddel gebruikt is in de afbeelding. Ook hier is weinig of geen detail zichtbaar maar nu door de aanwezigheid van helder stralend licht en witte vlakken.

 

Waar gaat het om …

De videocamera is voorzien van een lichtgevoelige beeldsensor. Het beeld dat door de lens wordt gevormd wordt als het ware op het oppervlak van de sensor ‘geprojecteerd’. Het beeld bestaat (zoals elke afbeelding) uit lichte en donkere delen. De samenwerking tussen lens en beeldsensor is voor te stellen als een ruitjespapier waarop een dia wordt geprojecteerd. Elk ruitje heeft de eigenschap het licht dat erop valt om te zetten in een elektrische lading. De gevormde lading is niet alleen afhankelijk van de lichtsterkte maar ook van de tijdsduur van de belichting. Om de hoeveelheid licht die op de ruitjes van de sensor valt te regelen gebruik je het diafragma of iris. Het diafragma is een voorziening die zich tussen de lens en de beeldsensor bevindt. Het is in z’n eenvoudigste vorm een mechanisch in grootte te varieren gaatje waarmee de hoeveelheid licht die door de lens naar binnen komt kan worden beperkt.


De instellingen

Meestal zal de automatische diafragmaregeling van de camera een goede belichting bieden. Het gaat mis als er opnamen gemaakt worden onder extreme lichtomstandigheden. In die gevallen is het voor de automaat niet te bepalen welk deel van het kader belangrijk is en dus het beste moet worden belicht. Een mooi voorbeeld is de kerktoren met op de achtergrond een heldere lucht. Er is vaak veel lucht en weinig toren in het kader. De automaat gaat uit van een gemiddelde belichting dus stelt deze zich voornamelijk in op de heldere lucht. Als er voor de lucht een goed diafragma wordt ingesteld is het resultaat dat er voor de toren geen goed diafragma wordt ingesteld. Dat is natuurlijk niet de bedoeling maar dat ‘weet’ de automaat niet. De belichting is alleen met de handbediening te corrigeren zodat de toren voldoende belicht wordt. Consequentie hiervan is wel dat de lucht dan ook helderder wordt. Op veel camera’s is een knop ‘backlight’ aanwezig. Deze knop kan handig zijn als je de situatie hebt waarbij een heldere achtergrond aanwezig is. Door de knop te gebruiken schroef je de belichting iets op waardoor de te donkere gedeelten iets lichter worden. Dit gaat natuurlijk wel gepaard met overstraling van de lichtere gedeelten. In sommige gevallen is het met de gegeven contrastomvang van video gewoon niet mogelijk de toren op deze manier op te nemen. Het is nog steeds zo dat de beste opnamen met de ‘zon in de rug’ kunnen worden gemaakt.

Het omgekeerde van bovenstaande doet zich voor bij theaterproducties. Hier is het vaak de gewoonte alleen bepaalde onderdelen (acteurs) fel uit te lichten en de omgeving zo donker mogelijk te houden. De iris automaat komt ook hier in verwarring. Ingesteld op gemiddelde belichting krijg je als resultaat dat het belichte onderwerp overbelicht wordt. Dit zal met de handbediening moeten worden gecompenseerd. Het is ook nog zo dat er aan onderbelichte delen later nog iets te doen is. Tijdens de montage kan elektronisch wat helderheid toegevoegd worden. In de duistere delen zit nog wat verborgen beeldinformatie die weer zichtbaar kan worden. Nadeel is dat er ook wat ruis wordt toegevoegd. Bij opnamen met overbelichte gedeelten is er niets meer aan te doen. Wit is het maximale niveau van het videosignaal dus alle extra beeldinformatie van details ontbreekt. Door de helderheid terug te regelen kun je ontbrekende beeldinformatie in dit geval niet meer herstellen. Het is dus zaak bij het opnemen de belichting goed in te stellen en in voorkomende gevallen doorlopend te corrigeren.

Sommige camera’s hebben een zogenaamde ‘zebra’-functie. Met deze functie is het in de viewfinder zichtbaar dat bepaalde delen overbelicht dreigen te raken. De betreffende delen worden gearceerd (streeppatroon) in het zoekerbeeld weergegeven waarmee tijdig wordt aangegeven dat overbelichting op de loer ligt.

Soms is het niet mogelijk -bijvoorbeeld bij extreem helder weer- het diafragma met de hand zo in te stellen dat de juiste belichting wordt gevonden. De kleinste stand van het diafragma gaat na een bepaalde stop (kleinste diafragmastand) bij de meeste camera’s direct over in een volledig geblokkeerde lens. Er is dan toch een manier om de hoeveelheid licht dat de beeldsensor bereikt te regelen. Omdat de elektrische ladingen van de beeldsensor ook afhankelijk zijn van de duur van de belichting zal de sluitertijd (belichtingstijd) invloed hebben op de belichting. Door een kortere sluitertijd te kiezen die het gewenste effect heeft is het toch mogelijk de belichting goed in te stellen. Nadelig effect van een korte sluitertijd is de hakkelige indruk die bewegingen hierdoor geven. Een beter oplossing is dan ook het toepassen van een grijsfilter waardoor de totale lichtsterkte van het objectief kleiner wordt.


Een proefje

Het hiervoor beschrevene is nog duidelijker te maken aan de hand van een proefje. Wat je nodig hebt is een leeg melk- of vruchtensappak. Knip de bovenkant er af zodat je de bodem over hebt met vier opstaande zijden van ca. 15cm. Span een velletje (rijst)papier over de bovenkant (eventueel aan de zijkanten vastplakken met plakband). Nu prik je in het midden van de bodem met een naald of priem een gaatje. Richt de bodem met het gaatje op een goed belichte voorstelling. Dat kan ’s avonds een schemerlamp zijn en overdag gewoon het uitzicht door het raam.

Wat je hebt gemaakt is een zogenaamde ‘pin hole camera’. Je zult zien dat de beelden nog behoorlijk scherp zijn maar niet al te lichtsterk. Door het gaatje te vervangen door een lens zal de lichtsterkte toenemen maar voor gevoelige elektronica, die steeds meer gemaakt wordt om met weinig licht toch nog een goed beeld te geven, zal er een voorziening moeten zijn die de hoeveelheid binnenkomend licht kan verzwakken. Het diafragma.
 


Focus (scherpte instelling)

Het knopje dat deze keer aan de beurt is, is nog niet zo lang een knopje. Bij de meeste camera’s is het nog steeds een ring en maakt deze deel uit van het objectief of het lenzenstelsel. De scherpstelringen zoals je die nu op de camera’s kunt aantreffen zijn niet meer zoals vroeger op een bepaalde afstand in te stellen. Op oudere camera’s waren nog afstanden op de scherpstelring aangegeven. Daarmee was het mogelijk vooraf de scherpte op een bepaalde afstand in te stellen. Bij het maken van bioscoopfilms worden camera’s gebruikt waarbij iemand met een meetlint de afstand bepaalt van het onderwerp tot de camera. De lens wordt dan heel nauwkeurig ingesteld op de juiste afstand. In principe is een object maar op één ingestelde afstand scherp. Bij veel licht valt het niet op dat alles wat niet op de ingestelde afstand aanwezig is niet helemaal scherp is.



Waar gaat het om

Om een goed gedetailleerde opname te krijgen zal het beeld dat via de lens binnenkomt zo goed mogelijk (scherp) op de beeldsensor moeten worden geprojecteerd. Deze scherpte moet worden ingesteld met de functie focus. Het lenzenstelsel kan daarmee zodanig worden ingesteld dat het ‘lichtbeeld’ dat op de beeldsensor ‘valt’ scherp is. Met de elektronische zoeker is de scherpte goed te controleren. Een kleuren LCD-schermpje is minder geschikt om te gebruiken voor dit doel omdat het beeld meestal een relatief grof raster heeft waardoor de scherpteweergave al beperkt is.


   
   
Als we nog even het experimentje van de ‘pin hole’ camera van de vorige keer in gedachten roepen hadden we te maken met een piepklein gaatje dat ervoor zorgde dat de lichtstralen gebundeld en vervolgens geprojecteerd werden op een transparant schermpje. Hoe kleiner het gaatje hoe scherper het beeld op het schermpje. Maar ook hoe kleiner het gaatje hoe minder licht er op het schermpje valt. Daar moest iets op gevonden worden. De lens.

De lens

Een lens bundelt de lichtstralen heeft het voordeel dat er van een groot (goed lichtdoorlatend) oppervlak gebruik kan worden gemaakt. Daar staat tegenover dat een eenvoudige lens maar één afstand heeft die een scherp beeld oplevert. De loep (vergrootglas) is een lens die je in de hand kunt nemen. Als je iets scherp wilt zien, moet je de afstand tot dat wat je wilt zien instellen door met je hoofd of hand verschillende posities in te nemen. Net zolang tot het beeld scherp is. Het kan ook dat je de loep als brandglas gebruikt. Dan moet ook de afstand instellen tot hetgeen je wilt verbranden. Je ziet een miniatuur afbeelding van de zon op bijvoorbeeld een stuk papier. Als je de juiste afstand hebt gevonden zal het zonnetje goed scherp te zien zijn en vliegt het papier in brand. Elke lens heeft een paar belangrijke eigenschappen: brandpuntsafstand en de lichtsterkte. Als de camera gebruikt gaat worden voor het maken van landschapsopnamen is de beste keuze een groothoeklens (kleine brandpuntafstand); dit is vergelijkbaar met een uitgezoomd zoomobjectief. De tele lens heeft een kleine kijkhoek (grote brandpuntafstand); dit is vergelijkbaar met een ingezoomd zoomobjectief en is geschikt om objecten op afstand beeldvullend op te nemen.

Even tusendoor ...... Het aantal malen ‘zoom’ waarmee camera kopers gelokt worden is de grootste brandpuntafstand gedeeld door de kleinste brandpuntafstand. Dus als een zoomobjectief over een wat mindere groothoekinstelling (niet zo erg klein) beschikt zal de telestand bij 10x minder lijken dan bij een kleinere brandpuntafstand van de groothoekinstelling. 10x10=100 maar ook 20x5=100. Het is maar net wat je wilt. Professionele camera’s hebben dan ook de mogelijkheid objectieven te wisselen want de gebruikers stellen allerlei hoge eisen aan de objectieven. Zo kan het dus gebeuren dat je van plan bent een professionele camera aan te schaffen. De camera wordt aangeboden voor een aanzienlijk bedrag dat je er met moeite precies aan kunt besteden. Dan blijkt dat er alleen sprake is van een body (behuizing met de nodige elektronica) en de leverancier zal vragen welke lens je er voor een vergelijkbaar bedrag bij wilt aanschaffen.

De instellingen

In de meeste gevallen zal de automatische scherpstelling (auto focus) goed werken. Er zijn echter omstandigheden waaronder –afhankelijk van de toegepaste techniek- systemen niet goed werken. Auto focus kan op zich goed werken maar onder bepaalde omstandigheden geeft dit toch geen goede resultaten. Het komt erop neer dat er automatisch scherp gesteld wordt op objecten die zich het dichtst bij de camera bevinden of centraal in het kader staan. Het is lang niet altijd de bedoeling dat er op deze objecten scherpgesteld wordt. Als je iets anders scherp in beeld wilt hebben zul je op handbediening moeten overschakelen.

Er is nog een tussenvorm waarbij met een drukknopje automatisch wordt scherpgesteld. Als de scherpte dan naar tevredenheid is ingesteld kun je het knopje loslaten en de scherpte-instelling wordt vergrendeld.

Als je de scherpte volledig met de hand wilt instellen moet je zelf de stand vinden waarbij de scherpte optimaal is. Bij weinig licht kan het zo zijn dat objecten die slechts centimeters in afstand verschillen scherp of onscherp kunnen zijn. Een minimale correctie met de scherpstelring (of knopjes) zorgt er dan voor dat een object dat zich maar een paar centimeter verder van of dichterbij de camera bevindt aan scherpte wint maar dat gaat dan weer ten koste van de scherpte van een ander object. Bij weinig licht en ‘ingezooomd’ objectief is de zogenaamde scherptediepte het kleinst. Scherpte diepte is de afstand waarover een beeld een scherpe indruk geeft.

Het is zaak om de manier van corrigeren goed te onthouden. Als iets onscherp is of wordt door vanaf of naar de camera toe te bewegen moet je weten welke correctie er met worden uitgevoerd. Vooral bij een kleine scherptediepte is het heel opvallend als er niet goed gecorrigeerd wordt

Op sommige camera’s is nog een speciale Macrostand aanwezig. Als deze voorziening aanwezig is keert de manier van scherpstellen om. Nu kun je het zoombereik instellen met de scherpstelring (of knopjes) en de scherpte met de functie voor het instellen van het zoombereik.

Scherpstellen is niet altijd mogelijk. Bepaalde objectieven hebben hiervoor een minimum afstand. Dat betekent dat als een object zich dichter bij de camera bevindt dan deze minimale afstand dat het niet meer lukt het beeld scherp te stellen. De oplossing voor dit probleem is meer afstand nemen of omschakelen naar macro. Als je over een camera beschikt die automatisch naar macro omschakelt zul je van dit fenomeen niets merken. Als je goed oplet als je naar een interview kijkt op televisie kom je toch nog wel vaak de situatie tegen dat de geïnterviewde persoon niet helemaal scherp is maar dat de details op de achtergrond wel. Dan heeft de cameraman te dichtbij gestaan en wat belangrijker is, niet goed heeft opgelet. De minimum afstand wordt meestal vermeld in de gebruiksaanwijzing. Als dat niet zo is kun je deze afstand gemakkelijk vinden door een keer bij weinig licht met ingezoomde camera uit te zoeken op welke afstand (dichtbij) een voorwerp staat dat nog net scherp te stellen is. Meet de afstand tussen de camera en het betreffende voorwerp en onthoud voor altijd dat je nooit dichterbij mag komen bij je onderwerp dan deze gevonden afstand.

De oude smalfilmmethode om scherp te stellen deugt niet meer. Oud smalfilmers weten het nog wel: ingezoomd scherpstellen en dan zou alles

scherp opgenomen worden. Nu we in de zoeker goed mee kunnen kijken kun je constateren dat deze oude wijsheid niet opgaat. Er zijn bij verschillende standen van het zoomobjectief ook verschillen in de scherpte die gecorrigeerd moeten worden. Je moet dus altijd de scherpte controleren tijdens het opnemen. De reden dat de scherpstelmethode uit het smalfilmtijdperk niet meer voldoet heeft te maken met de objectieven die indertijd kennelijk beter waren en het feit dat uiteindelijk blijkt dat de smalfilms helemaal niet altijd scherp waren. Ten minste als je ze nu ziet valt dat af en toe erg tegen. Toen was je al blij dat het meeste (niet bij iedereen helaas) redelijk van scherpte was. Met de huidige videocamera’s kunnen er haast geen onscherpe beelden meer gemaakt worden. 


[ Video Club Hoorn en de Regio | Video club magazine inhoud | H & R Video ABC ]

[ blocqx11 ]