Stop motion (toveren met je camera)

’Stop motion’ is een leuke techniek waarmee verrassende resultaten zijn te behalen. De letterlijke betekenis van ‘stop motion’ is ‘ beweging onderbreken’. Er wordt van een beweging telkens een stilstaand plaatje opgenomen, zeg maar ‘een foto gemaakt. Deze ’foto’s’ of enkelbeeld video-opnamen worden vervolgens achter elkaar gemonteerd waardoor weer een bewegende video ontstaat.

Tegenwoordig zijn er veel videocamera’s geschikt om foto’s mee te maken en andersom zijn de meeste digitale fototoestellen in staat kleine stukjes video in behoorlijke kwaliteit op te nemen. Afhankelijk van het onderwerp is het soms nodig bepaalde handelingen bewegend op te nemen maar het uitgangspunt blijft dat er alleen stilstaande beelden worden gebruikt die met behulp van een videomontageprogramma tot een bewegende video worden omgetoverd.

De techniek

We moeten even terug gaan naar de achterliggende techniek van video en dus eigenlijk van film. Hier worden we door gebruik te maken van tekortkomingen in het menselijk waarnemingsvermogen wijsgemaakt dat je naar een bewegend beeld kijkt. In werkelijkheid zit je naar een serie opvolgende plaatjes te kijken. Door de manier van presenteren ontstaat alleen maar de indruk van bewegend beeld.

Probeer maar eens het volgende: Je neemt een boek dat je toch niet meer zal lezen en je tekent op een aantal opvolgende rechter bladzijden een eenvoudige vorm, bijvoorbeeld een cirkeltje. De cirkeltjes moeten op dezelfde plek worden getekend en in volgorde steeds een kleine afwijking hebben ten opzichte van het cirkeltje op de vorige bladzijde. Je begint te tekenen op de laatste van het aantal bladzijden dat je gebruikt en je maakt bijvoorbeeld op de laatste bladzijde een cirkeltje van een millimeter in doorsnee op de bladzijde ervoor een cirkeltje van twee millimeter en zo steeds een millimeter groter. Als je vervolgens snel door de tekeningetjes heen bladert (door de bladzijden met je duim tegen te houden en ze stuk voor stuk los te laten) zal de indruk van beweging ontstaan. Opmerkelijk is dat de indruk van beweging al ontstaat bij een klein aantal veranderingen per seconde. Het storend element in deze manier van ‘vertonen’ is dat je ook het verspringen van de bladzijden ziet. Als de bladzijden met een snelheid van ongeveel 50 per seconde worden gewisseld kun je het ‘omslaan’ niet meer zien. Het waarnemingsvermogen is hier simpelweg niet toe in staat. Dankzij deze tekortkoming is film en video mogelijk.

De smalfilmpjes van vroeger konden met een veschillend aantal beeldjes per seconde (BPS) worden gemaakt. Meestal 18 BPS. Voor een vloeiend effect werden de beeldjes drie keer geprojecteerd waardoor het aantal flitsen van de projector kwam op 54 per seconde, voldoende om geen afzonderlijke lichtflitsen waar te nemen.  De betere camera’s konden op een snelheid van 24 beeldjes per seconde opnemen. Dit is het aantal BPS van bioscoopfilm. Bij de invoering van televisietechniek werd voor het aantal beeldjes per seconde uitgegaan van de netfrequentie van het plaatselijke elektriciteitsleveranciers. Hierdoor zijn de verschillende systemen ontstaan. In de USA is de netfrequentie 60 Herz (Hz) en in Europa 50 Hz. Tegenwoordig speelt deze frequentie overigens geen enkele rol meer maar het verschil in de TV-systemen bestaat nog steeds. We zitten met video (PAL) dus vast aan 25 (50 halve) beeldjes per seconde.

Na dit uitstapje even terug naar het aantal beeldwisseling dat nodig is om beweging te suggereren. Een goed uitgangspunt is 12 beeldwisselingen per seconde. Dat komt voor video niet goed uit want video (PAL) is gebaseerd op 50 ‘projecties’ per seconde. En dan zou je op 12.5 beeldwisselingen per seconde uitkomen. Dit is trouwens alleen maar van belang als het ook belangrijk is dat de bewegingssnelheid exact moet zijn. Grofweg kun je zeggen dat als elk beeldje (1 frame / 2 fields) twee keer wordt geprojecteerd er een aanvaardbare beweging kan worden gesuggereerd.


De mogelijkheden van ‘stop motion’.

Er zijn in de loop der tijd miljoenen tekenfilms gemaakt. Al deze films zijn gebaseerd op het in volgorde vertonen van stilstaande plaatjes die zo tot leven lijken te komen (animatie). Het grote nadeel van tekenfilms maken is, naast het feit dat je redelijk moet kunnen tekenen, dat het een zeer tijdrovend werkje is. Afhankelijk van de kwaliteit van de tekeningen kan het schrikbarend zijn hoeveel tijd er in gaat zitten. Voor sommige producties kan het betekenen dat er hooguit maar één seconde per dag kan worden geproduceerd. Deze manier van produceren kost dus ongelofelijk veel geld of het moet zo zijn dat degene die het doet niks kost en alle tijd heeft. Er is ook duidelijk verschil te zien tussen Disney bioscoopfilms en de televisie filmpjes van bijvoorbeeld de Flintstones. Er is verschil in de kwaliteit van de tekeningen en de beweging. Ook zijn de scenario’s aangepast. Bij de Flintstones zul je bijvoorbeeld zelden een plaatje zien waarin alles beweegt en als het tekenen van een ingewikkelde situatie te veel tijd in beslag zou nemen is dat meestal opgelost door deze gebeurtenis buiten beeld te laten plaatsvinden. Met alleen geluidseffecten en een heftig bewegende achtergrond wordt bijvoorbeeld een ingewikkeld ongeluk gesuggereerd.

Naast tekenfilm is er ook animatiefilm waarbij alle mogelijke voorwerpen tot leven kunnen worden gewekt. Voor dit soort films is het niet nodig eerst het tijdrovende tekenwerk uit te voeren. Ook hier is het weer sterk afhankelijk van wat er in de film gebeurt. Bij poppenfilms hoeft dan misschien niet meer getekend te worden maar er is heel wat meer voorbereiding nodig dan voor een reclamefilmpje waarbij een voorwerp een eenvoudige beweging maakt. Bijvoorbeeld een verpakking die uit zichzelf open gaat.

Een heel aparte vorm van ‘stop motion’ is die met levende acteurs. Bij dit soort films wordt bewust afgezien van normale beweging. De beweging wordt in stukken geknipt en vervolgens weer naar bewegend beeld gemonteerd. Dit geeft een bepaald effect en schept extra mogelijkheden.


Zelf ‘stop motion’gebruiken

De eenvoudigste vorm van ‘stop motion’ is het onderbreken van een opname en de opname voortzetten na het aanbrengen van een verandering, Een voorbeeld kan zijn dat iemand in beeld een pet opzet en dat de pet daarna als een razende op zijn hoofd gaat ronddraaien. Ook zou de pet in allerlei andere hoofddeksels kunnen veranderen of omgekeerd de pet blijft op z’n plaats en er zit telkens een ander hoofd onder. Verzin het maar.

Het onderwerp goochelen leent zich ook uitstekend voor de ‘stop motion’-techniek. Iedere truc waarbij iets verdwijnt, verschijnt of verandert is op deze manier te verwezenlijken. Misschien is het volgende wel leuk om te proberen: We zien een goochelaar in een medium shot. Voorwerpen verschijnen uit het niets in z’n hand en vervolgens verdwijnen ze weer. Als dit gebeurd is met een aantal voorwerpen zoomt de camera uit tot een totaal en alle voorwerpen blijken rond de goochelaar op de grond te liggen. De goochelaar neemt met een diepe buiging het applaus in ontvangst.

Wat ingewikkelder wordt het opnemen van statische voorwerpen die moeten gaan bewegen. Stel dat een voorwerp uit zichzelf over de tafel moet bewegen. Bijvoorbeeld een glas water. Eerst moet bepaald worden hoe lang het voor het glas mag duren om zich over een bepaalde afstand te verplaatsen. Stel dat het glas in twee seconden een meter moet worden verplaatst. Dat betekent dan dat er, bij 12,5 beeldjes per seconde, 25 opnamen moeten worden gemaakt. Na elke opname moet het glas dan vier (100 : 25) centimeter worden verplaatst. De kans dat de opname bij vertoning wat schokkerig wordt kun je verkleinen door een opnamestandpunt te kiezen waarbij het glas van het vorige plaatje overlapt wordt door het volgende. Dit betekent dat de camera aan het begin of eind van het af te leggen traject moet worden geplaatst. Ook is het mogelijk het aantal opnamen te verdubbelen en de verplaatsing per opname te halveren.

Nog ingewikkelder wordt het als de beweging moet plaatsvinden op een plaats waarbij extra ondersteuning nodig is. Als je bijvoorbeeld een suikerklontje uit zichzelf in een kop koffie wilt laten springen wordt het heel lastig om het klontje ergens onzichtbaar te ondersteunen tijdens de sprong naar het kopje. Ook hier is een oplossing voor. Het is alleen niet meer zuiver ‘stop motion’ maar dat zal niemand kunnen zien. De ‘onmogelijke’ posities kunnen nu bewegend opgenomen worden. Later worden hieruit enkele stilstaande beelden gekozen die gebruikt kunnen worden in de uiteindelijke montage.

Nu zal het nog steeds niet mogelijk zijn deze opname zonder meer te maken want het klontje kan nog steeds niet onzichtbaar ondersteund worden tijdens de sprong. De oplossing zal moeten worden gevonden in het retoucheren van de beelden want dan kan er bijvoorbeeld een pincet of een stukje ijzerdraad gebruikt worden waarmee je het klontje geholpen wordt de sprong te maken. Omdat de omgeving (het kopje e.d.) niet verandert is het goed mogelijk een eerder opgenomen beeld van de situatie te gebruiken om het hulpmiddel uit het beeld te verwijderen met behulp van een fotobewerkingsprogramma.



Nog een paar voorbeelden om zelf eens te proberen

Een stukje papier dat zichzelf gaat vouwen tot een vliegtuigje (boot, hoed).
Een legpuzzel o.i.d. die zichzelf legt.
Afbeelding in bijvoorbeeld Mini stack die zichzelf opbouwt.
Speelgoed dat zichzelf construeert (LEGO, Meccano enz.).
Een glas dat zichzelf vult of van inhoud wisselt met een ander glas.
Iemand die een voorwerp wil pakken dat maar blijft ontsnappen.Speelkaarten die allerlei bewegingen maken.
Iemand zit in een stoel en moet vreselijk niezen en schiet met stoel en al naar achter.
Een route lopen en met je camera (groothoek), na elke stap een opname van jezelf maken waarbij je ervoor zorgt dat je ogen zoveel mogelijk op dezelfde plaats in beeld zijn………



Voorbeelden kun je hier zien:

 

 

   
[ Video Club Hoorn en de Regio | Video club magazine inhoud | H & R Video ABC ]

[ blocqx11 ]